Stokje: waar komt het toch vandaan? Deel 1

door buikberg

We gaan eens aan een stokje meedoen (ook al hebben we er belange geen tijd voor). Want het is wel een super leuk stokje. Twee verhalen die samenkomen en één verhaal gaan vormen, en dat hopelijk nog een lang vervolg krijgt (maar daar ziet het wel naar uit met Linde die te pas en te onpas voor koe studeert).

Hoe begon het bij mevrouw Buikberg, waar komen die tuinkriebels vandaan? Wel, eigenlijk uit het niets. Echt waar. Want mevrouw Buikberg is een echt stadskind, van de randstad-bij-de-enige-grootstad-van-Vlaanderen (nee, dit vind ik zelf niet, het is wat er gezegd wordt ;-)). Hoewel. De vroegste tuinherinneringen dateren van huis 2 waar mevrouw Buikberg gewoond heeft. In huis 1 was ze te klein voor veel tastbare herinneringen en vermits ze het eerste en tweede verdiep bewoonde was er ook geen tuin. In huis 2 daarentegen, was er een gigantische tuin (toch naar stadsnormen). Of beter, een gigantische woestenij. De tuin liep van de ene zijstraat helemaal door tot de volgende zijstraat, ik zou de afmetingen eens moeten navragen maar als kind was het dus echt gigantisch. Vlak achter het huis was er een eerste klein stukje tuin, met een katjeswilg, een sering, een tuinhuis, nog een boom, en ik veronderstel iets beter onderhouden dan het achterste deel (mijn herinnering laat me totaal in de steek wat dit betreft). Dat achterste deel was dus groot, en woest, met heuvels (bergen dus ;-)), met brandnetels metershoog en ander onkruid. Mijn ouders hadden geen moestuinkriebels. Mijn mama heeft wel siertuinkriebels, maar toen waarschijnlijk iets te weinig tijd dankzij ons drie koters om heel dat achterste stuk te onderhouden en aan te leggen. Er is een jaar patatten geplant geweest, waarbij tijdens het rooien een duivel uit de reuzenstoet die in de straat achter het poortje langs trok, mijn vader de stuipen op het lijf heeft gejaagd. Of de opbrengst ook groot was, geen idee. We speelden het liefst in dat achterste deel, dat weet ik nog. Rondcrossen met onze fietskes, schuilplaatsen en kampen maken in de woestenij. En dat wel, met het oog op de buurman zijn perfect aangelegde moestuin. Toen 3/4 van die grote tuin onteigend werd voor flatgebouwen die in de parallelle straat gebouwd zouden worden, gingen mijn ouders op zoek naar een ander (huur)huis (het moet hen toch ook wat gedaan hebben, die leuke speel-tuin die zou verdwijnen – het huis was echter ook niet alles, dus de zoektocht naar beter werd waarschijnlijk snel aangevat). Vaag herinner ik mij nog een gesprek hierover aan de keukentafel ‘s avonds en dat wij, de kinderen, alleszins heel boos waren om zoveel bouw-barbarij.

Ongeveer tegelijkertijd begon de kampeerliefde en buiten-speel-liefde als ‘elfje’ bij de plaatselijke scoutsgroep. Want dat staat vast: mijn scoutstijd is zeker mee verantwoordelijk voor mijn natuur- en buitenliefde. Binnen- en buitenactiviteiten wisselden elkaar af, we trotseerden kou, regen en wind. Het jaarlijkse kamp was echt een hoogtepunt, zeker vanaf we in tenten mochten slapen op een Ardense wei, omgeven door bos en liefst met een riviertje aan het terrein. Zelf ons potje koken op een zelfgemaakt houtvuur met zelfgezocht brandhout (ook als het regende), greppeltjes graven bij noodweer, op de HUDO gaan ‘patrouillekakken’ (ja, we waren tot mijn 15 jaar een meisjesgroep, en dan zijn zo’n dingen plezant. Vanaf we gemengd waren deden we dat niet meer… toch een andere sfeer. Maar ook plezant hoor.), koukleumend eten aan de gesjorde tafel in de shelter onder de kleren-die-niet-droog-geraken-na-8-dagen-regen, of juist ‘s morgens om 7u de tent uitvluchten voor de brandende zon en de hele dag doorbrengen in het riviertje, inclusief modderbad en saunatent achterna. Bosspelen bij de vleet, tweedaagsestaptochten (die langs een snoepwinkel of frituur MOESTEN passeren), laat genieten aan het kampvuur, sterrenhemels ontleden, totemisatie met natuurproeven, … Het doet bijna pijn om al die mooie herinneringen weer op te rakelen, en ik hoop echt dat Linde en de andere kindjes het jeugdbewegingsleven en buitenleven even veel gaan waarderen als ik altijd gedaan heb.

Maar intussen woonden we dus in huis 3. Een groter en beter huis, met gelukkig opnieuw een redelijk grote tuin. De tuin van een hobby-moestuinier (die zelf verhuisde naar een grote oude boerderij met veel tuingrond rond – het waren kennissen van… de jeugdbeweging, jawel (en de parochie waar mama toen nog achtief was)). Achteraan een kippenhok,en een moestuin. En omdat het huis naast ons ook van die mensen was, en daar een (toen al) oude mevrouw woonde op het gelijkvloers die genoeg had aan een mini-grasperkje om in de zomer even buiten te kunnen zitten, mochten wij ook gebruik maken van het grootste deel van hun tuin. Dat was een grasveldje, waar we dus goed konden sjotten. Achteraan de tuin was er opnieuw een doorgang naar de zijstraat haaks op onze straat. En dat was via een zwaar verwaarloosd stuk bouwgrond. Je kunt het al raden waar we het liefst speelden… (ook al mocht het niet van mama ;-)). Via dat stuk bouwgrond konden we immers bij de buurkinderen-van-2-huizen-verder geraken omdat alle tuinpoortjes op dat stuk bouwgrond uitkwamen. We speelden heel vaak samen in de woestenij, vooral omdat er daar een oude kever (auto welteverstaan) lag te vergaan. Achteraf gezien begrijp ik mijn moeder heel goed dat we daar niet mochten spelen van haar, want dat ding was een roestig wrak met veel scherpe uitsteeksels enzo. Maar we hadden er wel erg veel plezier. De tuin van huis 3 heeft gedurende de jaren een ware metamorfose ondergaan. Het kippenhok verdween bijna direct (het stonk ook echt wel, herinner ik mij), in de moestuin hebben nog een keer tomaten gestaan en ik herinner mij ook een keer aardappelen en dat we heel even een eigen stukje moestuin hadden voor de kinderen (ten tijde van de tomaten denk ik). Maar al snel werd het een stukje gras met een border sierplanten erlangs. Ik heb nog met papa mee het terras aangelegd, het tuinhuis gezet. Er is even een kruidentuin geweest dicht bij het huis, waardoor ik mij alras in kruidenboeken begon te verdiepen. Maar intussen is het gras, (vlinder)struikjes en rozen, bloemenborders, en enkele jaren geleden is ook het stuk tuin van de buren terug ‘hun tuin’ geworden vermits wij toch niet meer voetbalden, al bijna uit huis zijnde. De bouwgrond achter de tuin is op een gegeven moment ook verkocht en bebouwd geraakt (waar we weer boos om waren, niet dat we toen nog veel daar speelden maar vooral omdat we onze achterdoorgang naar de tuin kwijt waren en nu met de fietsen telkens door het huis moesten).

Door mijn broers allergieën hebben we nooit huisdieren gehad op een paaskiekske na. Grote interesse in dieren is er nergens geweest in mijn jeugd, denk ik. Behalve dan oorwormen verdelgen met deodorant en het wereldkampioenschap wespen-in-een-fles-zoetigheid-vangen op scoutskamp.

Moraal van dit verhaal? Van mijn ouders komt het niet :-). Ik weet dus pertinent zeker dat de mama van mevrouw Buikberg zich ook met de regelmaat van de klok afvraagt waar ze zo’n bizarre dochter vandaan heeft. Van mijn grootouders ook niet: moeke woonde altijd in huis-met-koer in ‘de stad’ en nadien op appartementjes. Ze ging wel heel graag en vaak naar ‘de Zoo’. Bomma en bompa hebben een normale stadsbuitenwijktuin aan hun huis, maar hetzelfde als bij ons thuis nu: grasveldje, sierbloemenborders (bomma werkt ook wel – nog altijd – graag in de tuin). Overgrootouders of nog verder: geen idee, maar ik vermoed van niet.

Tot ik in de Redingenstraat op gemeenschapshuis ging, was er van tuinkriebels enkel heel erg onderhuids sprake. Natuurliefde, dat wel, hoe woester en primitiever, hoe liever. De eerste vakanties met meneer Buikberg waren dan ook kampeertrektochten: even het samen reizen aftasten in de Ardennen (waar we wel wild gekampeerd hebben :-)), daarna verschillende GR’s uitgeprobeerd, van Ieper naar Étretat via de Franse westkust, de westkust van Ierland, het eiland Mull in Schotland (hm, we hebben wel iets met -woeste- westkusten precies). Het kleine smeulende kooltje van mijn (moes)tuin-boerderijliefde kent maar één aanblazer vrees ik: meneer Buikberg himself :-) (en zijn familiale achtergrond). Maar dat, en dat gemeenschapshuis met mini-tuintje, is al deel van het gezamenlijk verhaal. Eerst moet meneer Buikberg nog vertellen tot hier ;-).