Onze zieke schaapjes

door buikberg

Begin mei merkten we dat Laura wel heel veel afwezig was uit de kudde. Ze lag vaak apart, was amper nog actief, kwam amper nog korrels eten (waar ze zo zot van is). Hier was dus duidelijk iets mis. Na een paar dagen kon ik mijn ongerustheid niet meer te baas en begon wat te googelen op schapenziektes. Kwam het een en ander tegen, maar niets leek echt op wat wij voorhadden. Die avond zag ik dat ze plukken wol op haar rug had die los leken te hangen, en toen rinkelde de bel… Nog een extra check op het wereldwijde web, en dan besloten we haar vast te leggen en eens aan een grondig onderzoek te onderwerpen. Ze protesteerde niet eens en ging als een gedwee schaapje mee naar waar we haar voerden. En inderdaad, onder de losse pluk wol kropen de maden eruit… Zo’n viezigheid hadden we nog nooit meegemaakt. Het was intussen een uur of 10 ’s avonds, maar we besloten toch de schaar (jawel, een gewone schaar, niet aan te raden) in haar vacht te zetten en zoveel mogelijk wormpjes te verwijderen. Intussen werd ook onze fantastische dierenarts verwittigd, die jammer genoeg pas de volgende ochtend kon komen tenzij haar toestand kritiek zou worden. We knipten en knipten onder het maanlicht, maar die beestjes bleven precies komen… Uiteindelijk dachten we dat we alles verwijderd hadden en sloten haar op in een varkenskot. Omdat ook Emma verdwenen was, haalden we haar ook naar binnen (zij protesteerde veel meer en bood behoorlijk wat weerstand) en inderdaad, hetzelfde… Tegen half 1 kropen we in ons bed, de mama schapen in de stal, Hector met de lammetjes buiten, en bleiten dat ze deden omdat ze hun mama’s niet meer zagen… Jammer beestjes, het moest.
De volgende morgen kwam de veearts en was Laura haar toestand erg verslechterd. Hij begon met Emma, deed stevige handschoenen aan en trok haar wol gewoon uit! Dit bleek echter inderdaad de meest efficiente manier te zijn: de wol op de aangetaste plekken gewoon uit het vel trekken zodat de wondes bloot komen te liggen. En wat we daar zagen was ronduit afgrijselijk… bleek dat we de avond voordien nog geen kwart van de maden verwijderd hadden! Op deze manier ging het echter een stuk sneller. Rond elke wond werd nog een rand van een centimeter of twee onaangetaste huid blootgelegd, om zo goed alle randen te kunnen zien. De myasis-maden kruipen immers op de warmste plekjes maar wel in een aaneengesloten patroon, en vaak beginnen de wondes op de rug of billen en lopen in een aangesloten lijn door langs zij tot op de buik. Als je de geinfecteerde huid volgt, kan je dus normaal de hele wond blootleggen. Toen Emma ‘bloot’ was kreeg ze nog enkele inspuitingen met antibiotica, werd haar wonde ontsmet en mocht ze weer de wei in. Enkel als het zou regenen moest ze terug binnen, zodat de wonde goed droog zou blijven. Bij haar viel het allemaal wel mee, ze had een beginnende wonde op haar rug en flanken. Toen begonnen we aan Laura, en dat was nog tien keer erger… Bijna haar hele rug en flanken waren een open wonde, en erger, ook aan haar keel had ze een erg diepe wonde waar de maden zo uitkropen… Ze was intussen bijna halfdood van de infectie… (Onze veearts had ons de avond ervoor niet in paniek willen maken, maar myasis kan op een week tijd dodelijk zijn…) Toch maar proper gemaakt, dezelfde en nog wat extra inspuitingen. Zij kon echter niet meer op haar benen staan, lag daar maar met haar kop op de grond triestig te kijken. De beste raad die onze vee-artskon geven: het wit-gele kruis is minstens even belangrijk als de antibiotica. Dus hebben we haar gedurende 24 uur om het uur geweekt brood gevoerd, appelschillen, water in haar bek gespoten, enz. En zeer bijzonder: dat half dood schaap stond na 24u (wel nog wat wankel) terug op haar poten, dankzij de ‘koeiedosis’ antibiotica en de zorgen van het wit-gele kruis. En drie dagen later gaf ze alweer volop melk aan haar spruiten… Eerlijk gezegd hadden zowel de veearts als de scheerder niet gedacht dat ze er nog door zou komen. Ook Hector werd gecontroleerd, maar bij hem vonden we niets. Toch kreeg hij een preventieve inenting met ontwormingsmiddel, dat ook werkt tegen uitwendige parasieten. En tenslotte zaten we nog samen met de veearts achter onze vier springlammetjes aan, die ook preventief ingeënt moesten worden en ze moesten hun oormerkjes nog krijgen… Een hele belevenis!
De volgende dag kwam de scheerder, want wat was de oorzaak van deze hele miserie: het warme aprilweer en de dikke schapenvacht die natuurlijk nog niet geschoren was, want ‘zoiets doe je toch in mei-juni’ was ons verteld. Bij hector vonden we toch 2 kleinere aangetaste plekjes, maar wat bleekwater maakte dat de maden snel het loodje legden en dat bij hem verdere infectie voorkomen kon worden. Blijkbaar was de epidemie door de warme winter (de vliegen kunnen overleven) en de warme aprilmaand (de vliegen hebben temperaturen vanaf 25° nodig om zich te kunnen voortplanten) zelfs voor de beroepsfokkers onverwacht gekomen en hadden zelfs zij het soms te laat gezien. Gouden raad die we nooit meer vergeten: vanaf het een week +25° is in maart, april, het maakt niet uit: scheren! Van dat kleine beetje koude nadien gaan ze echt niet dood, van de myasis jammer genoeg wel. Eventueel een tweede keer scheren eind augustus en zeker de nieuwe lammetjes, want die hun vacht is tegen dan al behoorlijk lang (bij onze grote schapen was dat niet meer nodig doordat ze in mei al goed geschoren waren). Eventueel niet tot op het vel scheren maar een paar centimeter wol laten staan zodat de wol lang genoeg is tegen de eerste kou. De keuze is dus voor ons in het vervolg snel gemaakt… Eind goed, al goed, onze 7 schaapjes overleefden onze onoplettendheid en dartelden weer vrolijk door de wei!

Advertenties