Waar komt het vandaan – deel 2

door buikberg

(waarschuwing vooraf: onderstaand verhaal is vrijwel zeker een zwaar vertekende weergave van de werkelijkheid, doch enkel in positieve zin)

Maurice werkte als magazijnier in “de stock” (het plaatselijk Walhalla voor de ‘futteraars’ (de term ‘doe-het-zelver’ is voorbehouden voor het Brico/Gamma-clienteel). Onder het motto “U vindt er alles”, moet er wel in kleine lettertjes bijgeschreven staan ‘als u het weet liggen’). Hoewel dicht bij huis, droomde Maurice van meer, een eigen bedrijf, en ging na zijn uren naar de tuinbouwschool. Jaren gingen voorbij en achter het huis van Maurice en Clara verrees een gigantisch serrecomplex, waar  groenten gekweekt werden die met de oude, langgerekte Volvo naar de veiling gevoerd werden. Schone kroppen salaa, bloemkol’n en tommat’n werden het leven van Maurice en Clara. Aan de straatzijde van het huis werd de voormalige weefkamer omgebouwd tot winkel, want de bloemen, dat was Clara’s bezigheid. Mugetjes en gladiol’n, crysant’n en vlijtige Liesjes. Tot hun pensioen waren ze dag in dag uit druk in de weer met al hun plantjes.

En na hun pensioen: deden ze gewoon verder, iets rustiger en heel langzaam afbouwend. De grote serre werd afgebroken (elk van de kinderen zette een eigen serreke met het glas), de ‘kleine’ serre bleef staan ‘voor eigen gebruik’. Op de vrijgekomen plaats werd een weide gemaakt, waar elk jaar een koetje grootgebracht werd om in november onder hen en de kinderen te verdelen. De massa-productie was verdwenen, maar de tijd die ze aan plantjes besteedden bleef constant. Met als resultaat een tuin, serrebakken en een serre waar voorbeeldplantjes als in de boekskes groeiden, die vertroeteld werden als waren het rotverwende prinsessen, en smaakten zoals … zoals groenten smaken. Aardbeien en tomaten waren in de Gullegemstraat altijd een maand vroeger rijp, het witloof en de sla groter, de pompoenen zwaarder. De laatste jaren viel het stil. ‘We gaan niet meer zaaien dit jaar’. ‘We gaan nog 1 keer zaaien’. ‘Het gaat niet meer om te werken’. Pepe Maurice is 2 jaar geleden doodgegaan. Meme Clara is nu ook gestopt met in de tuin werken, ze vergeet ook af en toe al eens iets.

Maar: naast (of tussen) de bloemkolen werden ook 3 kinderen opgekweekt. De verhalen uit hun kindertijd gaan altijd over eindeloos tomaten triëren, chrysanten ronddragen, … Maar toch is elk van hen, eens tot de jaren van verstand gekomen, bezig met beestjes, plantjes en eten. Om niet de gehele stamboom te moeten beschrijven beperk ik mij hier tot de middelste van de drie: Rhonny, die op 16-jarige leeftijd voor onderwijzer ging studeren omdat hij dan op internaat kon en niet meer thuis moest helpen. Erg slecht moet het thuis toch niet geweest zijn, want na zijn legerdienst trouwde hij en ze gingen amper honderd meter verderop wonen in een piepklein, stokoud huisje dat eens deel was van het machtige, door water omwalde ‘Beurtegoed’ ernaast.
Lut, zijn vrouw, was de dochter van Gerard Volders, die werkte ‘in t vlas’ en had thuis, zoals wellicht iedereen in die tijd, langs achter wat ‘land’, en een beetje kiekens en konijnen zitten. In de wei achter het peperkoekenhuisje stak het hippie-koppel een paar schapen, binnen een leuvense stoof, en voor de rest hadden ze zo goed als niets. Aja, toen werd er ook nog een klein Willemke geboren, wiens wiegje (dicht bij de leuvense stoof) op 4 bakstenen werd geplaatst zodat het niet nat zou worden als het water bij zware regenval binnenstroomde.

Rhonny en Lut waren gelukkig, maar wilden graag een eigen huisje, in de nieuwbouwwijk iets verderop, met een eigen stukje ‘land’ erachter. Geen gemillimeterde pelouze hier, maar een weitje met schaapjes, en later een geit. Kiekens, konijnen en fruitbomen. De andere helft werd ‘land’ (‘moes-tuin’ zoals we later op school moesten leren: een ‘tuin’ voor ‘moes’ ?). Dit combineerde natuurlijk ideaal met het werk als schoolmeester. Ook tijdens zijn werkuren kon er op het land gewerkt worden, want de kindjes van het eerste studiejaar gaf hij les over ‘de patat’, ze mochten dan op een verwaarloosd stukje schooltuin patatten planten, worteltjes en radijsjes zaaien, om de laatste dag van het schooljaar in klas frietjes te bakken.

Klein Willemke begon zijn carriere als boer wellicht met een schopje in de zandbak. Op bezoek bij meme Clara was echter altijd feest. In het verst van mijn herinneringen liggen een keer dat ik alleen tot helemaal achteraan de lege serre gestapt was. Op de terugweg ben ik wel even moeten gaan zitten. Spelen met aarde was leuker dan in de zandbak, dat plakt beter. En in de serre was een onuitputtelijke voorraad aan attributen te vinden: potjes, stokjes, koordjes, … Je kon daar alles mee maken. In de bloemenwinkel beklommen we de gigantische toog, speelden met de loodzware plaklinthouder en alle soorten kleurige lintjes. Alle attributen in de winkel, het alaam in de serre en in het ketelkot leken al oeroud, perfect onderhouden en gemaakt
om eeuwig te dienen waarvoor ze gemaakt waren. Als kind lijken die dingen dan duur en waardevol, je durft er bijna niet aankomen. Vol bewondering heb ik uren rondgezworven in die serres, gespeeld tussen al die wondere mechaniek, en de warme vochtige geur van aarde en plantjes opgesnoven.

Tijdens een weekje logeren bij pepe en meme stond ik op een morgen op,en een groot onheil was geschied: een merel had zich toegang tot de serre verschaft en meerdere tomaten flink toegetakeld. Of de smeerlap is kunnen ontkomen of als hij in de handen van pepe aan zijn einde gekomen is weet ik niet, maar pepe kwam mij een tomaat tonen, mooi bekwaam (=rijp), met een groot gat erin. Een beetje uitsnijden en opeten dacht Willemke, maar zo’n toegetakelde tomaat kon je niet meer opeten vonden ze, ze zouden mij eens iets tonen. De zaadjes van die tomaat werden op een proper doekje eruit gelepeld, opengespreid, het doekje dichtgeplooid en bovenop een kast gelegd. “De volgende keer dat je komt moet je er ons aan herinneren, dan gaan we die planten, en dan komt daar een heel nieuwe tomatteplant uit”. Waaw. Dit leek wel toveren. Maar de volgende keren dat we op bezoek gingen bij pepe en meme durfde ik het niet te vragen. Ze zouden het toch al vergeten zijn zeker. Na een tijdje was het al helemaal niet de moeite meer om ernaar te vragen, nu zou dat toch al lang te laat zijn. Toch bleef dat lapje, boven op de kast in het gangetje in mijn hoofd spoken. En op een keer, gans de familie was bij pepe en meme (dus dat zal wellicht nieuwjaar geweest zijn), raapte ik al mijn moed bijeen, ging aan pepe’s mouw trekken en vroeg “weet je nog, die tomaat, die merel, die zaadjes, en ik moest daar helpen aan denken, zou dat nu nog gaan … ?” En tot mijn grote verbazing wist pepe nog heel goed waar het over ging, want hij zei: “ja, nog een beetje wachten, ik heb vorige week nog eens naar dat doekje gekeken en alle zaadjes losgepeuterd. Ze zagen er goed uit, goed dat jij dat nog weet zeg”. En in het voorjaar groeien ‘mijn’ tomatteplanten buiten naast de serre van pepe, en bij ons thuis. En 1 plant in mijn tuintje.

Mijn tuintje was exact, en mooi afgebakend, 1 vierkante meter groot, en ik mocht daarin kweken wat ik wou. Ik denk dat ik het na de lessen in het 1e studiejaar gekregen heb. Een paar patatten, een rijtje erweten, een rij carootjes, een peterselie, … Van mijn gespaard zakgeld kocht ik een plastieken tuinkabouter met kruiwagen, en snapte niet waarom mijn ouders dat niet even geweldig vonden als ik. Later kwamen in het tuintje nog een ‘palmboompje’ opgekweekt uit het ‘palmtakje’ dat we in de mis gekregen hadden, een abrikozeboom uit een pit die ik in bonzai-vorm snoeide (tja, als je maar 1m^2 hebt). De gehoopte  mini-abrikoosjes zijn er nooit aan gekomen. Ik kreeg het boekje “ik houd van planten”(christina bjork/lena anderson) met allerlei experimenten met planten. Ik probeerde veel te veel (appeltakjes enten op mijn abrikoze-bonzai, meerkleurige bloemen kweken, …).De dieren die we in die periode thuis hadden, daar was ik niet zo zot van, altijd bang om in de wei te gaan omdat die aggressieve geit me een kopstoot zou komen geven, op den duur was ik zelfs bang van de kiekens. Dit in tegenstelling tot mijn kleine zusje, die als beestentemmer niet uit de wei weg te halen was. Kiekens acrobatetoeren aanleren, tegen een konijn zitten babbelen, geiterijden.

Eind juni, begin juli, die week na de examens als het altijd mooi weer is, zat ik elke namiddag in de kriekeboom te smullen. Boomklimmen en -spelen deden we van zodra het een beetje mooi weer was, en daarvoor hadden we een ‘groenzone’ vlakbij op de rand van de wijk. Erachter land van een boer waar we niet mochten in spelen (een jaar mais, een jaar
patatten, een jaar gerst). Op 10-jarige leeftijd wou ik in de vakantie, net als mijn vriendjes uit de klas, gaan werken. Ik vond dat ik daar wel groot genoeg voor was, en ging die vakantie toebak naaien bij boer Loncke. Elf frank voor een ranke kleintjes en negen frank voor een ranke grote. Ik ben nu een grote voorstander van kinderarbeid ;o). Jaren later gingen we bij een andere boer weer toebak naaien, met de machien, wat toch de magie van die gigantische naalden en het apart sfeertje niet had.

Vanaf het middelbaar ging het bergaf: vakantiejobs werden geselecteerd op meer opbrengen, niemand speelde nog in de bomen, je moest studeren en andere hobby’s hebben. Van kwaad naar erger ging ik op kot, in een drukke straat in de vuile stad Leuven. Een ruim kot, dat wel, om toch een beetje ademruimte te hebben. Uitzicht op straat. Supermarkten die het jaar rond tomaten verkopen, appels per zes verpakt, en madammekes die je zonder schaamte 340 gram inscheppen als je 100 gram bestelt. De basilicum en bieslook die ik op mijn kamer had meegebracht, stierven al vlug, wellicht door een gebrek aan licht bij het oostgericht geelkleurige glas. De volgende plantjes hielden het niet veel langer vol en werden met de kerstvakantie twee weken
naar meme Clara geëvacueerd voor acute reanimatie. Maar alles went, zelfs de stad, ook al weet je dat het eigenlijk verkeerd is wat je aan het doen bent. Ik ben 6 jaar op dat kot gebleven, al was ik het laatste jaar meer en meer te vinden op het kot van iemand anders ;o). Een ander soort kot, een met een echte keuken, een salon, een terras en … een tuintje !

“Maar dat verhaal, dat vertel ik u een volgende keer” (beeldt u hierbij de Jan Decleir-stem uit de Grimbergen-reclame in)

Advertenties