Buikberg

het verhaal van een boerderij en haar bewoners

Categorie: siertuin

Winterkind

Zo lang ik mij herinner

was ik een winterkind.

Ik leefde op als het koud werd,

haalde met veel plezier de wintergarderobe boven

(met de dikke wollen sokken met verre herinneringen),

genoot van zonnige en minder zonnige dagen.

In elk vriendjesalbum

(bij nader inzien facebook in de prehistorie)

lievelingsseizoen: winter.

Maar al weken het hunkeren naar

de eerste was buiten aan de lijn,

de sneeuwklokjes die uitbundig,

de versgeplante krokusjes (oranje!),

het fliederend gezang in de gecoupeerde struiken.

Waar is dat winterkind naar toe?

(5 jaar geleden waren dit 10 bolletjes…)

(en vier maanden geleden was dit een brandneteljungle :-))

Op het eerste zicht

Ja, een super leuk idee, en omdat we veel tuinveranderingen plannen dit jaar doen we graag mee!

Wij fotograferen dus de tuin op ongeveer de 15e van de maand – dit is januari.


De linkerkant van de toekomstige ‘tuin’.

(Getrokken vanuit het raam van een van de toekomstige slaapkamers :-)).

En de rechterkant van de tuin. Helemaal rechts onder op de foto komt ooit het grote terras aan het grote keukenraam…

En dan natuurlijk nog de moestuin – ook hier op zijn winters.

Vanuit de ene hoek…

En vanuit de andere hoek.

Dat het maar snel lente wordt zodat we aan de slag kunnen!

Stokje: waar komt het toch vandaan? Deel 1

We gaan eens aan een stokje meedoen (ook al hebben we er belange geen tijd voor). Want het is wel een super leuk stokje. Twee verhalen die samenkomen en één verhaal gaan vormen, en dat hopelijk nog een lang vervolg krijgt (maar daar ziet het wel naar uit met Linde die te pas en te onpas voor koe studeert).

Hoe begon het bij mevrouw Buikberg, waar komen die tuinkriebels vandaan? Wel, eigenlijk uit het niets. Echt waar. Want mevrouw Buikberg is een echt stadskind, van de randstad-bij-de-enige-grootstad-van-Vlaanderen (nee, dit vind ik zelf niet, het is wat er gezegd wordt ;-)). Hoewel. De vroegste tuinherinneringen dateren van huis 2 waar mevrouw Buikberg gewoond heeft. In huis 1 was ze te klein voor veel tastbare herinneringen en vermits ze het eerste en tweede verdiep bewoonde was er ook geen tuin. In huis 2 daarentegen, was er een gigantische tuin (toch naar stadsnormen). Of beter, een gigantische woestenij. De tuin liep van de ene zijstraat helemaal door tot de volgende zijstraat, ik zou de afmetingen eens moeten navragen maar als kind was het dus echt gigantisch. Vlak achter het huis was er een eerste klein stukje tuin, met een katjeswilg, een sering, een tuinhuis, nog een boom, en ik veronderstel iets beter onderhouden dan het achterste deel (mijn herinnering laat me totaal in de steek wat dit betreft). Dat achterste deel was dus groot, en woest, met heuvels (bergen dus ;-)), met brandnetels metershoog en ander onkruid. Mijn ouders hadden geen moestuinkriebels. Mijn mama heeft wel siertuinkriebels, maar toen waarschijnlijk iets te weinig tijd dankzij ons drie koters om heel dat achterste stuk te onderhouden en aan te leggen. Er is een jaar patatten geplant geweest, waarbij tijdens het rooien een duivel uit de reuzenstoet die in de straat achter het poortje langs trok, mijn vader de stuipen op het lijf heeft gejaagd. Of de opbrengst ook groot was, geen idee. We speelden het liefst in dat achterste deel, dat weet ik nog. Rondcrossen met onze fietskes, schuilplaatsen en kampen maken in de woestenij. En dat wel, met het oog op de buurman zijn perfect aangelegde moestuin. Toen 3/4 van die grote tuin onteigend werd voor flatgebouwen die in de parallelle straat gebouwd zouden worden, gingen mijn ouders op zoek naar een ander (huur)huis (het moet hen toch ook wat gedaan hebben, die leuke speel-tuin die zou verdwijnen – het huis was echter ook niet alles, dus de zoektocht naar beter werd waarschijnlijk snel aangevat). Vaag herinner ik mij nog een gesprek hierover aan de keukentafel ’s avonds en dat wij, de kinderen, alleszins heel boos waren om zoveel bouw-barbarij.

Ongeveer tegelijkertijd begon de kampeerliefde en buiten-speel-liefde als ‘elfje’ bij de plaatselijke scoutsgroep. Want dat staat vast: mijn scoutstijd is zeker mee verantwoordelijk voor mijn natuur- en buitenliefde. Binnen- en buitenactiviteiten wisselden elkaar af, we trotseerden kou, regen en wind. Het jaarlijkse kamp was echt een hoogtepunt, zeker vanaf we in tenten mochten slapen op een Ardense wei, omgeven door bos en liefst met een riviertje aan het terrein. Zelf ons potje koken op een zelfgemaakt houtvuur met zelfgezocht brandhout (ook als het regende), greppeltjes graven bij noodweer, op de HUDO gaan ‘patrouillekakken’ (ja, we waren tot mijn 15 jaar een meisjesgroep, en dan zijn zo’n dingen plezant. Vanaf we gemengd waren deden we dat niet meer… toch een andere sfeer. Maar ook plezant hoor.), koukleumend eten aan de gesjorde tafel in de shelter onder de kleren-die-niet-droog-geraken-na-8-dagen-regen, of juist ’s morgens om 7u de tent uitvluchten voor de brandende zon en de hele dag doorbrengen in het riviertje, inclusief modderbad en saunatent achterna. Bosspelen bij de vleet, tweedaagsestaptochten (die langs een snoepwinkel of frituur MOESTEN passeren), laat genieten aan het kampvuur, sterrenhemels ontleden, totemisatie met natuurproeven, … Het doet bijna pijn om al die mooie herinneringen weer op te rakelen, en ik hoop echt dat Linde en de andere kindjes het jeugdbewegingsleven en buitenleven even veel gaan waarderen als ik altijd gedaan heb.

Maar intussen woonden we dus in huis 3. Een groter en beter huis, met gelukkig opnieuw een redelijk grote tuin. De tuin van een hobby-moestuinier (die zelf verhuisde naar een grote oude boerderij met veel tuingrond rond – het waren kennissen van… de jeugdbeweging, jawel (en de parochie waar mama toen nog achtief was)). Achteraan een kippenhok,en een moestuin. En omdat het huis naast ons ook van die mensen was, en daar een (toen al) oude mevrouw woonde op het gelijkvloers die genoeg had aan een mini-grasperkje om in de zomer even buiten te kunnen zitten, mochten wij ook gebruik maken van het grootste deel van hun tuin. Dat was een grasveldje, waar we dus goed konden sjotten. Achteraan de tuin was er opnieuw een doorgang naar de zijstraat haaks op onze straat. En dat was via een zwaar verwaarloosd stuk bouwgrond. Je kunt het al raden waar we het liefst speelden… (ook al mocht het niet van mama ;-)). Via dat stuk bouwgrond konden we immers bij de buurkinderen-van-2-huizen-verder geraken omdat alle tuinpoortjes op dat stuk bouwgrond uitkwamen. We speelden heel vaak samen in de woestenij, vooral omdat er daar een oude kever (auto welteverstaan) lag te vergaan. Achteraf gezien begrijp ik mijn moeder heel goed dat we daar niet mochten spelen van haar, want dat ding was een roestig wrak met veel scherpe uitsteeksels enzo. Maar we hadden er wel erg veel plezier. De tuin van huis 3 heeft gedurende de jaren een ware metamorfose ondergaan. Het kippenhok verdween bijna direct (het stonk ook echt wel, herinner ik mij), in de moestuin hebben nog een keer tomaten gestaan en ik herinner mij ook een keer aardappelen en dat we heel even een eigen stukje moestuin hadden voor de kinderen (ten tijde van de tomaten denk ik). Maar al snel werd het een stukje gras met een border sierplanten erlangs. Ik heb nog met papa mee het terras aangelegd, het tuinhuis gezet. Er is even een kruidentuin geweest dicht bij het huis, waardoor ik mij alras in kruidenboeken begon te verdiepen. Maar intussen is het gras, (vlinder)struikjes en rozen, bloemenborders, en enkele jaren geleden is ook het stuk tuin van de buren terug ‘hun tuin’ geworden vermits wij toch niet meer voetbalden, al bijna uit huis zijnde. De bouwgrond achter de tuin is op een gegeven moment ook verkocht en bebouwd geraakt (waar we weer boos om waren, niet dat we toen nog veel daar speelden maar vooral omdat we onze achterdoorgang naar de tuin kwijt waren en nu met de fietsen telkens door het huis moesten).

Door mijn broers allergieën hebben we nooit huisdieren gehad op een paaskiekske na. Grote interesse in dieren is er nergens geweest in mijn jeugd, denk ik. Behalve dan oorwormen verdelgen met deodorant en het wereldkampioenschap wespen-in-een-fles-zoetigheid-vangen op scoutskamp.

Moraal van dit verhaal? Van mijn ouders komt het niet :-). Ik weet dus pertinent zeker dat de mama van mevrouw Buikberg zich ook met de regelmaat van de klok afvraagt waar ze zo’n bizarre dochter vandaan heeft. Van mijn grootouders ook niet: moeke woonde altijd in huis-met-koer in ‘de stad’ en nadien op appartementjes. Ze ging wel heel graag en vaak naar ‘de Zoo’. Bomma en bompa hebben een normale stadsbuitenwijktuin aan hun huis, maar hetzelfde als bij ons thuis nu: grasveldje, sierbloemenborders (bomma werkt ook wel – nog altijd – graag in de tuin). Overgrootouders of nog verder: geen idee, maar ik vermoed van niet.

Tot ik in de Redingenstraat op gemeenschapshuis ging, was er van tuinkriebels enkel heel erg onderhuids sprake. Natuurliefde, dat wel, hoe woester en primitiever, hoe liever. De eerste vakanties met meneer Buikberg waren dan ook kampeertrektochten: even het samen reizen aftasten in de Ardennen (waar we wel wild gekampeerd hebben :-)), daarna verschillende GR’s uitgeprobeerd, van Ieper naar Étretat via de Franse westkust, de westkust van Ierland, het eiland Mull in Schotland (hm, we hebben wel iets met -woeste- westkusten precies). Het kleine smeulende kooltje van mijn (moes)tuin-boerderijliefde kent maar één aanblazer vrees ik: meneer Buikberg himself 🙂 (en zijn familiale achtergrond). Maar dat, en dat gemeenschapshuis met mini-tuintje, is al deel van het gezamenlijk verhaal. Eerst moet meneer Buikberg nog vertellen tot hier ;-).

Wij zijn blij…

… Met ons beetje bloemenwei!

(story: ik kocht drie jaar geleden heel wat pakjes akkerbloemenzaad om zelf een mengsel te maken, vanuit de hoop dat we dat najaar konden beginnen met de tuin aan te leggen. Jammer genoeg was dat akkerbloemenzaad drie jaar later over datum… dus had ik het maar na de grondwerken op een paar van de braakliggende stukken uitgestrooid, op hoop van zegen. Met succes dus! Dat ze zich nu maar snel uitzaaien zodat we overal mooie bloemetjes krijgen!)

… Dat de familie zwaluw weer een nest jonkies heeft grootgebracht en ons de hele dag door entertaint met hun capriolen! (en we zijn minder blij met het feit dat ze echt wel alles ondersch*ten, in de kelder, op het erf, de ramen, in de auto als we het raampje vergeten toe te doen, … Wanneer begint de trek?)

… Met onze eerste erwtjes!

(ok, bij sommigen zijn ze al op, maar hier begint het nu dus eindelijk. En uit ervaring weten we dat het vanaf nu hard gaat gaan en we het oogsten amper gaan kunnen bijhouden …)

… Dat we zoveel brambozen hebben!

(eigenlijk heet het officieel ‘doornloze braam’, maar het ziet er echt uit als een kruising tussen braambes en framboos: brambozen dus. Ze moeten wel heel goed rijp zijn om een beetje door te smaken.)

… Dat meneer Buikberg zijn kersensappersinstallatie zijn werk heeft gedaan!

… Dat de boontjes de grond in geraakt zijn! (nog op het lijstje: peultjes als herfstteelt (experiment), winterprei, savooien en boerenkolen uitplanten, en dan nog enkele herfstgroenten zoals andijvie, late venkel, late sla, enz. En veeeeeel onkruid uitdoen)

(foto)

… Dat de phacelia een bijenparadijs is, en dat we tussen het onkruid overal uitgezaaide phacelia terugvinden, en dille, en citroenmelisse, en munt, … (de bieslook zijn we even kwijt, komt wel weer boven water… euh, het onkruid uit). En ook dat we toch heel wat vlinders spotten, het lijken er meer dan vorig jaar (geen objectieve gegevens). We kennen er niets van, maar al zeker grote en kleine koolwitjes en een aantal verschillende soorten bruine/oranje-met-zwarte-vlekjes. Jammer dat we de distels (op politiebevel, jawel) verder moeten sikkelen, ze zitten vol met bladluizen, lieveheersbeestjes en vlinders allerlei.

… Dat de weides echt wel beginnen te verschralen en er daardoor bijzonder mooie grassen en bloemetjes opduiken!

… Dat het overal bloeit (de salie, de oregano, de rozen, de clematis, de lavendel,…)

… Dat meneer Buikberg op het lumineuze idee kwam om zelf een rozenazijn-wasverzachter te maken voor de luiers!

… Dat het bijna vakantie is en we oppas voor onze kuikentjes gevonden hebben!

(foto)

Een hoofd vol goesting!

Met al die lenteberichtjes bij onze collega-bloggers en dat prachtige weer van de laatste dagen: jazeker, hier kriebelt het ook weer enorm, zowel om weer het dak op te kruipen als om ons in de tuin (hm, correctie, moeswoestenij en sierbouwwerf) te begeven. Gisteren dus al maar eens een rondgang langs onze eigendom gemaakt (ok, ook met de bedoeling om Linde lekker in slaap te draagdoeken). Met als resultaat: Wat zijn hier zoal de plannen? (Weerom veels te ambitieus waarschijnlijk, maar daar laten we ons nog niet door ontmoedigen)

– de koeien uit de tuin houden. Daar is intussen gisteren al goed aan gewerkt door de twee dames des huizes, met wat extra elektriek draden te spannen. Maar de elektriekdraad in de wei heeft toch meer schuur-schade opgelopen dan gedacht (en werkt dus waarschijnlijk al maanden niet meer wegens kortsluiting, veel chance dat onze koetjes het weinige gras binnen de omheining toch nog konden apprecieren). Dus die moet ook nog terug gerepareerd worden. En dan wordt ons bouwmateriaal niet meer ondergekakt, onze vijver niet meer leeggedronken en kunnen we over leuke siertuinplantjes beginnen denken, hoezee.

– het rietveld en de vijver aanplanten. Voor het eerste moet de grond droog genoeg zijn om kamions lava tot aan het rietveld te kunnen rijden, voor het tweede moeten we ons nog heel grondig informeren voor tot aankopen over te gaan :-). En dan kunnen we eindelijk het al weken lonkende toilet binnen in gebruik nemen, joepie.

– de moestuinwoestenij opnieuw aanleggen. Vermits we het in augustus hebben opgegeven en enkel nog een beetje geoogst hebben, beginnen we eigenlijk terug van nul zoals bijna 4 jaar geleden (foto’s worden u bespaard, ons oud fototoestelleke stelt trouwens niet meer scherp, waardoor eindelijk tot de lang geplande aankoop van een treffelijk ding zal worden overgegaan :-)). Het zal dus deze keer met de frees zijn, tegen onze principes, maar anders zijn we weken aan het spitten en de grelinette zal nu helemaal niet werken. Maar dat stelt ons wel in de gelegenheid tot een kleine herinrichting van de moestuinbedden, het verbeteren van de paadjes en misschien ook wel zo’n prachtige takkenomheiningen :-). De zaden zijn al gearriveerd, nu nog een nieuw teeltenplan en dan hopen dat de fijne vingertjes van onze kleine meid zin hebben om mee zaadjes in de grond te duwen (hoewel we daar waarschijnlijk nog een jaartje voor moeten wachten ;-)).

– het gat voor de geboorteboom graven (nadat de koeien uit de betreffende wei verwijderd zijn). Zodat er binnen niet afzienbare tijd (letterlijk ;-)) een fantastisch mooie winterlinde groeit langs het schaperslos, die er altijd al gestaan lijkt te hebben.

– ons erf een beetje opkuisen. Het enige wat ik in deze woestenij al heb opgemerkt is dat ik dringend de rozen en de clematis weer moet bijknippen, voor nieuw bloeiend leven moet ik echt dieper onder de giganische hoop (bouw)rommel gaan zoeken…

– onze Faramir verwijderen. Meneer begint het een beetje uit te hangen (’t schijnt de leeftijd te zijn, en onze ervaren buren-boeren waarschuwden ons al dat dat niet zal beteren met het ouder worden), en we willen weer gezellig bij onze koetjes kunnen gaan zonder ze eerst van het nodige maagvulsel te moeten voorzien (anders lopen we het risico om op de horens genomen te worden). Met waarschijnlijk nog twee kalfjes in aantocht heeft meneer zijn prijs op twee jaar minstens vierdubbel terugbetaald, dus dat is meer winst dan we van onze spaarrekening kunnen zeggen ;-). Maar de vraag is: waar naar toe? Onze twee diepvriezers zitten vol met zwijn en er loopt ook nog een schaap te wachten om naar de eeuwige weides te kunnen verhuizen. Tweedehands is er blijkbaar eerder sprake van een overaanbod aan hooglanderstieren. Iemand geinteresseerd, (een stukje van) dood of levend? En anders zullen we ons misschien toch maar een extra diepvries aanschaffen zeker.

– aan te kopen: nog minstens een nieuwe kip om onze eenzame Eufrazie van het monogame partnerschap met Hypoliet te redden. Onze Hypoliet wordt trouwens ingeruild voor een hopelijk wel vruchtbaar exemplaar dat we voor het gemak dezelfde naam gegeven hebben (hij loopt hier al twee maanden rond in de varkensstal om hanengevechten te voorkomen, het tekent onze nieuwe daginvulling dat we daarvan nog altijd geen fotootje hier hebben geplaatst…). Het onvruchtbaar exemplaar wordt zaterdag geadopteerd door mensen die wel graag een vaderlijke haan willen, maar eindelijk van die massa kuikens elk jaar verlost willen zijn :-). En zo heeft elk wat wils: wij hopelijk eens kleine kuikentjes, en zij eitjes zonder kuiken en toch nog een wekker ’s morgens.

– nog aan te kopen: een nieuwe kudde schapen (we hebben ons oog laten vallen op de Ardense Voskop, en zouden weer starten met een ram en twee of drie ooien). Dit jaar dus geen lammergemekker hier bij ons, volgend jaar hopelijk wel weer!

Maar nu genoeg geschreven over deze eerste lentekriebels (ineens ter compensatie van de lange stilte):

Avanti!

(nog 4 weken ouderschapsverlof te gaan, we gaan die tijd goed gebruiken als het weer wat mee wil :-)).